|
Veel Nederlandse jongens en mannen
werden naar Duitsland gestuurd om daar in de fabrieken te werken. Wie
dat niet wilde, moest onderduiken.
Er kwamen ook mensen in verzet. Zij hielpen de onderduikers. Je had in
deze tijd voedselbonnen nodig om aan eten te komen. Verzetstrijders
pleegden overvallen op kantoren waar voedselbonnen werden bewaard. Met
die bonnen konden ze eten kopen voor mensen die ondergedoken zaten.
Het was gevaarlijk om in het verzet te gaan. Sommigen werden verraden
door hun eigen landgenoten (collaborateurs, Nederlanders die de Duitsers
hielpen).
Als verzetstrijders in Duitse handen vielen, werden ze meestal vermoord. |